-
Zetel Antwerpen
Uitbreidingstraat 66
2600 Berchem
T 03 203 44 00
-
Zetel Kempen
Kleinhoefstraat 6
2440 Geel
T 014 63 95 70
Ondernemingsnummer BE0627 844 475
13 april 2026
De oorlog in het Midden-Oosten lijkt ver weg, maar de gevolgen laten zich voelen tot op de werf. Energieprijzen schieten omhoog, materialen worden duurder of moeilijker leverbaar en de vraag naar prijsherziening en aangepaste uitvoeringstermijnen neemt toe. Wat begint als een geopolitiek conflict, eindigt voor veel aannemers in een bijzonder concrete vraag: wie draagt het risico, en wie betaalt uiteindelijk de rekening?
Dat is geen academische oefening. We krijgen hierover vandaag opvallend veel vragen, vaak samen met vragen over prijsherzieningen. Niet toevallig, want dit soort crisissen zet het contractuele evenwicht onder spanning. En precies daar wringt het schoentje: dat evenwicht kan niet zomaar eenzijdig worden aangepast.
De impact van de oorlog werkt bovendien door in de volledige bouwketen. Leveranciers kondigen prijsstijgingen of langere leveringstermijnen aan. Opdrachtgevers verwachten tegelijk dat prijs en planning worden gerespecteerd, ook wanneer prijsherziening zich opdringt. Onderaannemers komen klem te zitten tussen stijgende kosten en vaste verbintenissen. Elk contract wordt geraakt, maar niet elk contract reageert op dezelfde manier.
In de relatie met de bouwheer-opdrachtgever komt de spanning vaak het scherpst tot uiting. Aannemers worden geconfronteerd met kostenstijgingen en vertragingen die zij onmogelijk konden incalculeren bij het indienen van hun offerte of bij het sluiten van het contract. Toch blijft het uitgangspunt duidelijk: prijs en uitvoeringstermijn gelden in principe zoals afgesproken.
Daarom is het eerste onderscheid dat je moet maken fundamenteel: gaat het om een overheidsopdracht of een private opdracht?
In overheidsopdrachten geldt een strikt en grotendeels wettelijk vastgelegd kader. Mechanismen zoals prijsherziening en onvoorziene omstandigheden zijn daar niet vrijblijvend, maar onderworpen aan duidelijke voorwaarden, formaliteiten en termijnen. In de praktijk wordt daarbij vaak verwezen naar onder meer artikel 38/7 en 38/9 AUR. Dat kader biedt mogelijkheden, maar legt tegelijk ook scherpe grenzen op.
Bij private opdrachten ligt het zwaartepunt elders. Daar moet in eerste instantie naar het contract worden gekeken. Wat is contractueel voorzien over prijsherziening, gewijzigde omstandigheden of termijnverlenging? Die afspraken bepalen in grote mate de speelruimte. Pas wanneer het contract geen of onvoldoende antwoorden biedt, komt het aanvullend verbintenissenrecht in beeld. Hierbij wordt artikel 5.74 BW (verandering van omstandigheden) vaak aangehaald als juridische kapstok om heronderhandeling te vragen wanneer de uitvoering onredelijk zwaar wordt.
Belangrijk is ook dat prijs en termijn niet automatisch samenvallen. Soms zit de pijn vooral in de kostprijs, soms in de planning, vaak in beide. Juridisch en strategisch zijn dat verschillende discussies. Wie te lang wacht met melden en met het juiste gesprek, merkt vaak pas achteraf dat de onderhandelingsruimte al sterk is ingeperkt.
Ook in de relatie met de leverancier lopen vandaag de spanningen op. Aannemers krijgen meldingen van prijsverhogingen, aangepaste leveringsvoorwaarden of langere termijnen. Dat leidt soms tot de indruk dat leveranciers prijzen zomaar kunnen optrekken. Zo eenvoudig ligt het niet.
Een vaste prijs betekent in principe dat je de lopende contractuele afspraken moet respecteren. Voor reeds bevestigde bestellingen of lopende overeenkomsten kan een leverancier niet zomaar eenzijdig afwijken van wat werd afgesproken, ook niet wat leveringstermijnen betreft. Tegelijk is het belangrijk te beseffen dat vaste prijzen niet automatisch gelden voor toekomstige bestellingen of nieuwe contracten. Daar ontstaat opnieuw onderhandelingsruimte, zeker in een volatiele marktcontext.
Daarnaast voorziet het verbintenissenrecht een kader voor uitzonderlijke situaties waarin een partij, geconfronteerd met onvoorziene en ingrijpende kostenstijgingen, het overleg kan openen over aanpassing van de afspraken. Dat is geen automatische prijsverhoging, maar wel een juridisch erkende uitnodiging tot dialoog.
Dat spanningsveld zien we vandaag ook expliciet bij producenten van bouwmaterialen. Zo wees FEDBETON eind maart op de onmiddellijke impact van stijgende energie‑ en transportkosten op stortklaar beton en riep zij haar leden op om proactief te werken met herzieningsclausules en transparante communicatie. Het illustreert hoe prijsdruk zich stroomopwaarts opbouwt en uiteindelijk onvermijdelijk doorwerkt in de hele keten.
Een derde relatie die vandaag sterk onder druk staat, is die tussen hoofdaannemer en onderaannemer. Kostenstijgingen en bevoorradingsproblemen stoppen niet bij de hoofdaannemer, maar werken door tot bij de onderaannemers. De vraag rijst dan of je de risico’s zomaar kan doorschuiven, doorgeschoven, of dat je ze moet delen of herverdelen.
In overheidsopdrachten is deze relatie niet louter contractueel, maar ook wettelijk omkaderd. Wanneer de hoofdopdracht een prijsherzieningsclausule bevat, speelt artikel 14 AUR een belangrijke rol. Die bepaling zorgt ervoor dat het onderaannemingscontract in principe eveneens een herzieningsmechanisme moet bevatten of dat je ze hieraan moet aanpassen, op voorwaarde dat ze aan bepaalde drempels voldoen. De onderaannemer heeft dus, binnen dat kader, recht op een gelijkaardige prijsherziening als de hoofdaannemer.
Dat betekent niet dat alles automatisch verloopt. De concrete toepassing, de gekozen referentiewaarden en de bewijsvoering blijven essentieel, en de verantwoordelijkheid tegenover de aanbesteder blijft bij de hoofdaannemer. Maar het uitgangspunt is duidelijk: in overheidsopdrachten is het risico niet bedoeld om volledig bij de onderaannemer te landen.
Ook buiten overheidsopdrachten blijft dit een delicate evenwichtsoefening. Vaste of variabele prijzen, lopende of nieuwe contracten en de bereidheid tot overleg bepalen vaak meer dan juridische spierballen. In de praktijk zien we dat transparantie en tijdige afstemming geen zwaktebod zijn, maar een noodzakelijke voorwaarde om de werf operationeel te houden en escalatie te vermijden.
Wat al deze situaties gemeen hebben, is dat stilzitten geen optie is. Tijdige melding, correcte communicatie en een goed begrip van het juridische kader zijn vandaag essentieel om je positie te vrijwaren. Tegelijk is dit geen zwart‑witverhaal. De oplossingen liggen zelden in één clausule of één artikel, maar in een doordachte aanpak die rekening houdt met de concrete omstandigheden van de werf en de contractuele context.
Meldingen en onderhandelingen staan of vallen met bewijs. Wie zich beroept op gewijzigde omstandigheden, zal die ook zo concreet mogelijk moeten aantonen. Een algemene verwijzing naar “de oorlog in Iran” volstaat niet, noch tegenover een bouwheer of leverancier, noch tegenover een rechtbank. Wat telt, is een goed opgebouwd dossier: persberichten en sectorinformatie die de context schetsen, aangevuld met concreet mailverkeer of briefwisseling over effectieve prijsstijgingen, aangepaste leveringsvoorwaarden, stockbreuk of vertragingen op een bepaalde werf of voor een specifiek materiaal. Precies daarom publiceert en bundelt Embuild relevante informatie en sectorreacties, onder meer via persberichten en de BouwFlash. Die documenten zijn er niet alleen om te lezen, maar ook om te bewaren. Afdrukken, klasseren en toevoegen aan je dossier maakt het verschil tussen een algemeen verhaal en een onderbouwde positie.
Wie zich verder wil verdiepen, vindt op het ledenplatform van Embuild uitgebreide en actuele informatie, onder meer over
En wie snel een eerste richting of verduidelijking zoekt, kan ook terecht bij Embuild Antwerpen.