-
Zetel Antwerpen
Uitbreidingstraat 66
2600 Berchem
T 03 203 44 00
-
Zetel Kempen
Kleinhoefstraat 6
2440 Geel
T 014 63 95 70
Ondernemingsnummer BE0627 844 475
29 juni 2026
In mijn gesprekken met aannemers over contracten, hoor ik steevast dezelfde frustratie: clausules die alle risico’s doorschuiven naar de uitvoerende partij. In B2C-relaties is dat grotendeels uitgesloten. In B2B-relaties bestaat er sinds 2019 een wettelijk kader dat onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen moet tegengaan. Maar precies daar wringt het schoentje wanneer de overheid opdrachtgever is.
Vandaag geldt immers een opvallende uitzondering: de regels over onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen zijn niet van toepassing op overheidsopdrachten. En zelfs niet op de overeenkomsten die eruit voortvloeien. Met andere woorden: waar ondernemingen elkaar minstens juridisch in balans moeten houden, mag de overheid nog steeds disproportionele clausules opleggen aan haar opdrachtnemers.
Dat voelt voor mij aan als een ongelijk speelveld dat niet meer te verantwoorden is.
De wetgever heeft die uitzondering ooit verantwoord door te verwijzen naar de specifieke aard van overheidsopdrachten. De overheid handelt namelijk niet louter als contractpartij, maar ook in het algemeen belang. Bovendien bestaat er een eigen regelgevend kader, met onder meer dwingende uitvoeringsregels, herzieningsmechanismen en specifieke beginselen zoals gelijkheid, transparantie en proportionaliteit.
Daarnaast werd gevreesd dat de klassieke sanctie bij onrechtmatige bedingen – de nietigheid – moeilijk te verzoenen is met het gelijkheidsbeginsel in aanbestedingen. Als een clausule achteraf wegvalt, zou dat immers de mededinging kunnen verstoren.
Die redenering wordt vandaag almaar meer in vraag gesteld.
In een recent advies stelt de bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige Bedingen (BRC) expliciet vast dat die algemene uitsluiting niet langer te verantwoorden is.
Vooreerst is het uitgangspunt van de wetgeving rond onrechtmatige bedingen helder: contractuele transparantie en evenwicht moeten worden gewaarborgd, ongeacht wie de contractspartij is. Er is op zich geen enkele reden waarom een overheid zich aan die basisprincipes zou kunnen onttrekken.
Daarnaast blijkt uit de praktijk dat het bestaande kader binnen overheidsopdrachten onvoldoende bescherming biedt aan de ondernemers. De specifieke regels in het KB Uitvoering zijn fragmentair en historisch gegroeid vanuit een eerder verticale verhouding tussen overheid en ondernemer.
Instrumenten zoals het evenredigheidsbeginsel of de beginselen van behoorlijk bestuur bieden wel enige houvast, maar blijven vaag en moeilijk afdwingbaar.
Ten slotte is ook het fundamentele onderscheid tussen “overheid als overheid” en “overheid als onderneming” niet langer houdbaar. In de praktijk treedt de overheid geregeld op als marktspeler. Dan is het moeilijk te verantwoorden waarom zij niet aan dezelfde regels onderworpen zou zijn als andere economische actoren.
De BRC pleit daarom duidelijk voor een herziening. Het uitgangspunt moet zijn dat ook in overheidsopdrachten een toetsing aan onrechtmatige bedingen mogelijk wordt, met aandacht voor het algemeen belang en de eigenheid van het overheidsoptreden.
Dat betekent niet dat alle clausules plots verboden zouden zijn. Wel dat er opnieuw een evenwicht moet komen tussen rechten en plichten van de partijen. Een “level playing field”, zoals men dat noemt, waarbij de overheid haar positie als sterke partij niet langer automatisch kan doordrukken.
Belangrijk is ook dat die bescherming niet stopt bij de hoofdaannemer. Als men een dergelijke regeling invoert, moet die logischerwijze doorwerken naar de hele contractketen, inclusief onderaannemers.
De vraag is vandaag niet langer of er een probleem is. Die vaststelling wordt steeds breder gedeeld, zowel in de rechtsleer als binnen adviesorganen. De echte vraag is wat de wetgever hiermee zal doen.
Een afschaffing van de huidige uitzondering lijkt geen onrealistisch scenario meer. Dat kan via een uitbreiding van de bestaande B2B-regels, of via een specifieke regeling binnen het overheidsopdrachtenrecht zelf.
Voor aannemers gaat dit over de dagelijkse realiteit van bestekken waarin risico’s eenzijdig worden doorgeschoven. Over aansprakelijkheidsclausules, boetebedingen en uitvoeringsvoorwaarden die soms weinig met evenwicht te maken hebben.
Maar er beweegt iets. De vraag is alleen hoe snel ze zich vertaalt in de praktijk.
Tot dat gebeurt, blijft één advies overeind: blijf bestekken kritisch lezen. Want zolang de uitzondering bestaat, ligt het initiatief nog altijd bij de opdrachtnemer.