-
Zetel Antwerpen
Uitbreidingstraat 66
2600 Berchem
T 03 203 44 00
-
Zetel Kempen
Kleinhoefstraat 6
2440 Geel
T 014 63 95 70
Ondernemingsnummer BE0627 844 475
04 mei 2026
“De werken starten pas over zes tot negen maanden. Maar wat als de prijsstijgingen blijven aanhouden?”
“Kunnen we ons indekken bij offerte‑indiening?”
“Kunnen we een clausule toevoegen?”
Aannemers dienen hun offerte in op een bepaald moment, op basis van de prijzen en omstandigheden die dan gekend zijn. De voorbije jaren hebben echter aangetoond hoe snel die omstandigheden kunnen wijzigen. Internationale spanningen, energieprijzen en materiaaltekorten kunnen zich voordoen na indiening van de offerte, maar vóór de opdracht effectief van start gaat.
In een normaal verloop van een overheidsopdracht vormt dat geen onoverkomelijk probleem. De aanbestedende overheid gunt tijdig, sluit de opdracht en de uitvoering start. In uitzonderlijke gevallen kan tijdens de uitvoering nog worden teruggevallen op artikel 38/9 KB Uitvoering, dat een herziening van de opdracht mogelijk maakt bij onvoorziene omstandigheden.
Maar wat als dat normale traject wordt onderbroken? Wat als de overheid traag handelt, twijfelt, of zelf nog essentiële randvoorwaarden moet vervullen, denk maar aan het bekomen van een definitieve omgevingsvergunning, en daardoor blijft hangen tussen gunning en sluiting? In dat geval wordt de aannemer geconfronteerd met stijgende kosten en toenemende onzekerheid, zonder contractueel vangnet aangezien het contract met de aanbesteder pas gesloten wordt bij de “sluiting” van de opdracht.
De vraag rijst dan: welke juridische mogelijkheden bestaan er in die tussenfase?
Na indiening van de offertes blijven inschrijvers gedurende de verbintenistermijn gebonden door hun offerte. Die termijn bedraagt in principe 90 dagen, tenzij de opdrachtdocumenten anders bepalen. Gedurende die periode kan de inschrijver zijn offerte niet intrekken of wijzigen, ongeacht latere prijsstijgingen.
Die verbintenistermijn is het juridische ankerpunt voor alles wat volgt.
Wanneer duidelijk wordt dat de aanbestedende overheid de gunning en sluiting niet tijdig zal kunnen afronden, beschikt zij over een eerste instrument: artikel 58 KB Plaatsing. Dat artikel laat toe om vóór het verstrijken van de verbintenistermijn aan de inschrijvers te vragen of zij vrijwillig instemmen met een verlenging van die termijn.
Voor aannemers is het cruciaal om te weten wat dit wel en niet inhoudt.
Een verlenging op basis van artikel 58 is volledig vrijwillig en gebeurt onder exact dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke offerte.
Dat laatste is essentieel. Artikel 58 laat geen enkele inhoudelijke wijziging van de offerte toe. Een inschrijver kan bij een verzoek tot verlenging hetzij “ja” antwoorden en zijn offerte ongewijzigd laten gelden, hetzij “neen” antwoorden (of niet antwoorden).
Er kan in dit stadium geen prijsaanpassing, geen heronderhandeling en geen correctie omwille van gewijzigde omstandigheden worden doorgevoerd. Artikel 58 verlengt enkel de duur van de binding, niet de inhoud van de offerte.
Nog een paar belangrijke zaken binnen deze procedure. Ten eerste kan een inschrijver niet worden gesanctioneerd omdat hij niet instemt met een verlenging. Daarnaast is het zo dat niet antwoorden of “neen” antwoorden de regelmatigheid van de oorspronkelijke offerte niet aantast. Ten slotte mag de aanbesteder uit stilzwijgen van de aannemer geen impliciete instemming afleiden.
Wanneer de (eventueel verlengde) verbintenistermijn verstreken is en de opdracht nog steeds niet is gesloten, verandert het juridische kader. In dat geval komt artikel 89 KB Plaatsing in beeld.
Artikel 89 verplicht de aanbestedende overheid om, vóór zij alsnog tot sluiting overgaat, aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte te vragen of hij zijn offerte wenst te behouden. En hier ontstaat wél juridische speelruimte voor de inschrijver.
In tegenstelling tot artikel 58 mag de inschrijver in het kader van artikel 89 het behoud van zijn offerte koppelen aan een wijziging, inclusief een prijsaanpassing. Dit op voorwaarde dat die wijziging objectief wordt verantwoord door omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de indiening van de offerte en dat de aangepaste offerte nog steeds de economisch meest voordelige blijft.
Het onderscheid is fundamenteel:
Voor aannemers betekent dit dat prijsstijgingen pas juridisch relevant kunnen worden gemaakt zodra men uit de verbintenistermijn is en de overheid artikel 89 correct moet toepassen.
In de praktijk zien we situaties waarin de overheid noch tijdig sluit, noch artikel 58 KB Plaatsing of artikel 89 effectief toepast en de aannemer gedurende lange tijd in onzekerheid laat.
Zolang er geen contract is gesloten, is er geen contractuele aansprakelijkheid. Maar dat betekent niet dat er juridisch niets mogelijk is.
Sinds 1 januari 2025 geldt het nieuwe Boek 6 BW over buitencontractuele aansprakelijkheid. Dat boek vertrekt van een eenvoudig principe: wie door een eigen fout schade berokkent aan een ander, kan daarvoor aansprakelijk zijn.
In een situatie waarin een opdracht wel wordt gegund maar niet wordt gesloten, kan dat principe relevant worden.
Wanneer een aanbestedende overheid nalaat om tot sluiting over te gaan om redenen die zij zelf had moeten voorzien of beheersen, bijvoorbeeld het ontbreken van een definitieve omgevingsvergunning, kan dit gedrag juridisch worden beoordeeld als een fout.
Dat kan het geval zijn bij een schending van een op haar rustende verplichting of van de algemene zorgvuldigheidsnorm.
Het artikel 6.6, §2, tweede alinea, 5° BW vermeldt daarbij uitdrukkelijk de beginselen van goed bestuur en goede organisatie als beoordelingscriterium. Ook overheden moeten overheidsopdrachten op een zorgvuldige, consequente en voorspelbare manier beheren.
Is er daarnaast een oorzakelijk verband tussen dat nalaten en de schade, en is die schade concreet en aantoonbaar (bv. kosten door tijdsverlies of prijsstijgingen), dan kan buitencontractuele aansprakelijkheid in beeld komen.
Dit is echter geen automatisme. Niet elke vertraging is foutief en niet elke schade verhaalbaar. Maar waar de overheid zelf het normale traject structureel verstoort, is dit een juridisch pad dat niet genegeerd mag worden.
Voor aannemers is de belangrijkste boodschap deze: blijft een opdracht hangen tussen offerte en uitvoering, dan is het cruciaal om het juiste juridische moment te herkennen.
Wie die verschillen kent, staat sterker in gesprekken met de aanbestedende overheid én in zijn risicobeheer.